Wetgeving

Vanaf 1 november 2014 dient elke nieuw verkochte auto door de fabrikant te zijn voorzien van een TPMS systeem. Toegestaan zijn zowel directe als indirecte systemen, zolang deze voldoen aan de eisen en voorwaarden van de Europese richtlijn ECE-R64. Deze richtlijn beschrijft de functionaliteit van het TPMS systeem, het maakt daarbij niet uit of er gebruik wordt gemaakt van een originele sensor of een aftermarket sensor. TPMS maakt onderdeel uit van de typegoedkeuring van de auto en is daarmee een verplicht onderdeel van de auto. Als bestuurder dient u daar rekening mee te houden bij de aanschaf van andere wielen.  

5.3. Bandenspanningscontrolesystemen (TPMS)

5.3.1. Algemene voorschriften 5.3.1.1. Met inachtneming van de voorschriften van punt 12 moeten alle voertuigen van de categorieën M 1 (tot een maximummassa van 3 500 kg) en N 1 waarvan alle assen zijn uitgerust met enkele banden en die voorzien zijn van een bandenspanningscontrolesysteem volgens punt 2.14, voldoen aan de prestatievoorschriften van de punten 5.3.1.2 tot en met 5.3.5.5 en worden getest volgens bijlage 5.

5.3.1.2. Ieder in een voertuig gemonteerd bandenspanningscontrolesysteem moet voldoen aan de voor­ schriften van Reglement nr. 10.

5.3.1.3. Het systeem moet werken tussen maximaal 40 km/h en de door de constructie bepaalde maximumsnelheid van het voertuig.

5.3.2. Bandenspanningsdetectie voor spanningsverlies als gevolg van een incident (lektest) 5.3.2.1. Het TPMS moet worden getest volgens de procedure van punt 2.6.1 van bijlage 5. Bij deze test moet het waarschuwingssignaal van punt 5.3.5 oplichten binnen 10 minuten nadat de bedrijfsspanning van een van de banden van het voertuig met 20 % is gedaald of een minimum van 150 kPa heeft bereikt (de hoogste waarde is van toepassing).

5.3.3. Detectie van een bandenspanningsniveau dat aanzienlijk lager is dan de aanbevolen spanning voor optimale prestaties wat brandstofverbruik en veiligheid betreft (diffusietest) 5.3.3.1. Het TPMS moet worden getest volgens de procedure van punt 2.6.2 van bijlage 5. Bij deze test moet het waarschuwingssignaal van punt 5.3.5 oplichten binnen 60 minuten gecumuleerde rijtijd nadat de bedrijfsspanning in een tot vier banden van het voertuig met 20 % is gedaald.

5.3.4. Storingsdetectietest 5.3.4.1. Het TPMS moet worden getest volgens de procedure van punt 3 van bijlage 5. Bij deze test moet het in punt 5.3.5 beschreven waarschuwingssignaal oplichten binnen 10 minuten nadat een storing is opgetreden die van invloed is op de voortbrenging of transmissie van controle- of responssignalen in het bandenspanningscontrolesysteem van het voertuig. Als het systeem door invloeden van buitenaf wordt geblokkeerd (bv. ruis op de radiofrequentie), kan de storingsdetec­ tietijd worden verlengd.

5.3.5. Waarschuwingssignaal 5.3.5.1. Het waarschuwingssignaal is een optisch signaal volgens Reglement nr. 121.

5.3.5.2. Het waarschuwingssignaal moet worden geactiveerd als de contact-/startschakelaar zich in de stand „On” of „Run” bevindt (lampjescontrole). [Dit voorschrift geldt niet voor verklikkerlichten die worden weergegeven in een gemeenschappelijke ruimte.]

5.3.5.3. Het waarschuwingssignaal moet ook overdag zichtbaar zijn; de goede werking van het signaal moet eenvoudig vanaf de bestuurdersstoel kunnen worden geverifieerd.

NL L 310/26 Publicatieblad van de Europese Unie 26.11.2010

5.3.5.4. Een storing mag met hetzelfde waarschuwingssignaal worden aangeduid als een te lage banden­ spanning. Als het waarschuwingssignaal van punt 5.3.5.1 zowel voor een te lage bandenspanning als voor TPMS-storingen wordt gebruikt, geldt het volgende: terwijl de contact-/startschakelaar zich in de stand „On” of „Run” bevindt, knippert het waarschuwingssignaal om een storing aan te geven. Na korte tijd blijft het waarschuwingssignaal continu branden zolang de storing voort­ duurt en de contact-/startschakelaar zich in de stand „On” of „Run” bevindt. Telkens wanneer de contact-/startschakelaar zich in de stand „On” of „Run” bevindt, wordt de opeenvolging van knipperen en continu branden herhaald totdat de storing is verholpen.

5.3.5.5. Het in punt 5.3.5.1 beschreven verklikkerlicht mag knipperen om informatie te geven over de resettoestand van het bandenspanningscontrolesysteem volgens de gebruikershandleiding van het voertuig.

6. AANVULLENDE INFORMATIE 6.1. Als het voertuig is uitgerust met een reserve-eenheid voor tijdelijk gebruik, moet de gebruikers­ handleiding in elk geval de volgende informatie bevatten:

6.1.1. een opgave van het risico dat ontstaat bij niet-naleving van de beperkingen inzake het gebruik van een reserve-eenheid voor tijdelijk gebruik. Indien van toepassing moet tevens worden vermeld of het gebruik beperkt is tot een bepaalde as;

6.1.2. bij montage van een reserve-eenheid voor tijdelijk gebruik van type 1, 2 of 3 volgens punt 2.10.1, 2.10.2 of 2.10.3, de aanwijzing voorzichtig te rijden op niet meer dan de toegestane maximumsnelheid van 80 km/h (50 mph) en zo snel mogelijk opnieuw een standaardeenheid te monteren. Het moet duidelijk worden gemaakt dat deze aanwijzing ook geldt voor een reserve- eenheid voor tijdelijk gebruik van type 5 volgens punt 2.10.5 bij rijden met een lekke band;

6.1.2.1. bij montage van een reserve-eenheid van type 4 volgens punt 2.10.4, de aanwijzing voorzichtig te rijden op niet meer dan de toegestane maximumsnelheid van 120 km/h (75 mph) en zo snel mogelijk opnieuw een standaardeenheid te monteren;

6.1.3. de vermelding dat het voertuig niet mag worden gebruikt als er meer dan een reserve-eenheid voor tijdelijk gebruik tegelijk zijn gemonteerd. Dit voorschrift geldt alleen voor reserve-eenheden voor tijdelijk gebruik van type 1, 2 of 3 volgens de punten 2.10.1, 2.10.2 en 2.10.3;

6.1.4. een duidelijke opgave van de spanning die door de voertuigfabrikant is opgegeven voor de band van de reserve-eenheid voor tijdelijk gebruik;

6.1.5. voor voertuigen met een reserve-eenheid voor tijdelijk gebruik waarvan de band in leeggelopen toestand wordt opgeborgen, een beschrijving van de procedure om de band op de voor tijdelijk gebruik voorgeschreven spanning te brengen met de inrichting van punt 5.1.7.

6.2. Als het voertuig is uitgerust met een bandenspanningscontrolesysteem of een runflatwaarschu­ wingssysteem, moet de gebruikershandleiding in elk geval de volgende informatie bevatten:

6.2.1. de vermelding dat het voertuig is uitgerust met een dergelijk systeem (en, indien het systeem die mogelijkheid biedt, informatie over de procedure voor het resetten van het systeem);

6.2.2. een afbeelding van het in punt 5.1.6.1 of 5.3.5.1 beschreven symbool van het verklikkerlicht, naargelang het geval (en een afbeelding van het symbool van het storingsverklikkerlicht, als hiervoor een apart signaal wordt gebruikt);

6.2.3. aanvullende informatie over de betekenis van het oplichten van het verklikkerlicht voor lage bandenspanning en een beschrijving van de stappen die dan moeten worden gezet.

6.3. Als bij het voertuig geen gebruikershandleiding wordt verstrekt, wordt de in punt 6.1 en/of 6.2 voorgeschreven informatie op een opvallende plaats op het voertuig vermeld.